Biodiversiteitsonderzoek Demoveld: houtvezellaag vormt mogelijk barrière voor kevers, bloemenrand verspreid geen plaaginsecten
4 februari 2026
4 februari 2026
Op het Demoveld Bollenstreek in Hillegom hebben studenten van HAS green academy voorjaar 2025 insecten gemonitord, in opdracht van Living Lab B7. De metingen lieten zien dat de houtvezellaag aan de natuurinclusieve zijde mogelijk een barrière vormt voor bodemgebonden insecten. De bloemenrand trok veel (soorten) insecten aan, maar verspreiding naar het veld bleef beperkt. Dit gold ook voor plaaginsecten als bladluis, trips en cycade.
De insecntemonitoring vond plaats met potvallen, plakvallen, panvallen en de 'Berlese-trechter'. Met deze metingen wilden HAS-studenten Daisy Bos, Siebe Bouman en Fleur van der Meij testen of en hoe de biodiversiteit tussen de extensieve en natuurinclusieve zijden van het demoveld verschilden. Ook onderzochten ze het effect van de bloemenrand op biodiversiteit aan de natuurinclusieve zijde. Daarnaast is de bodemkwaliteit geanalyseerd aan de hand van chemische, fysische en biologische parameters.
Uit de metingen bleek dat de extensieve zijde, met een open zandbodem, meer insecten en een grotere soortenrijkdom herbergde dan de natuurinclusieve zijde. Dit verschil wordt waarschijnlijk veroorzaakt door de dennensnipperhoutvezellaag aan de natuurinclusieve zijde. Deze laag verminderd de onkruiddruk, maar lijkt ook een fysieke barrière te vormen voor bodemgebonden insecten. Daarbij verstoort de houtvezellaag de werking van biodiversiteitbevorderende maatregelen zoals de bloemenrand. Loopkevers, als bio-indicatorgroep, bevestigen dit beeld. Loopkevers kwamen in hogere aantallen en met grotere ecologische diversiteit voor aan de extensieve zijde, inclusief zeldzame soorten zoals A. stierlini. Dit wijst op een goede habitatkwaliteit.
De bloemenrand trok hoge aantallen insecten aan en bevatte een hoge soortenrijkdom. Tijdens de bloei waren logischerwijs meer bestuivers aanwezig dan na de bloei. Daarnaast toonde de analyse van 'plaaginsecten' (bladluis, trips en cycade) aan dat deze weliswaar in hoge aantallen in de bloemenrand aanwezig waren, maar zich niet direct massaal verspreidden naar het nabije gewas (dit gold ook voor andere insecten). Een bloemenrand leidt dus niet automatisch tot verhoogde plaagdruk in het gewas. Hogere aantallen (plaag)insecten verderop in het veld aan de extensieve zijde vielen samen met de onkruidrand aan deze kant van het veld, wat suggereert dat ook deze randstructuren insecten aantrekken, en mogelijk een grotere rol spelen in hun uiteindelijke verspreiding.
De bodemparameters verschilden nauwelijks tussen de beheersystemen en konden niet eenduidig worden gekoppeld aan het beheer. Alleen de gehalten aan kalium, calcium en stikstof verschilden enigszins, waarschijnlijk door variaties in meststoffengebruik. Er werden zwakke verbanden gevonden tussen biodiversiteit en enkele bodemparameters (pH, indringingsweerstand, vochtgehalte en organisch stof), maar deze kwamen niet overeen met bevindingen uit bestaande literatuur.
Op basis van de resultaten adviseren de studenten om te stoppen met gebruik van de houtvezellaag, vanwege de mogelijk negatieve impact op biodiversiteit. Voor vervolgonderzoek wordt aanbevolen om ook percelen met meer intensieve bollenteelt te betrekken, om een breder beeld te krijgen van de exacte effecten van de beheersystemen op de biodiversiteit en bodemkwaliteit.
De resultaten maken duidelijk dat maatregelen die ingezet worden voor verduurzaming, niet altijd het beste uitpakken voor biodiversiteit. Zo is de houtvezellaag bedoeld om het gebruik van chemische herbiciden tegen te gaan. Tegelijkertijd lijkt de laag dus een negatief effect op bodemgebonden insecten te hebben. Om onkruiddruk op een andere manier tegen te gaan, wordt dit teeltseizoen geëxperimenteerd met het telen van hyacinten op ruggen.
Het volledige rapport is hier te lezen.